SPROOKJESWERELD van Anky
Het Grand Café
Ga naar pagina Vorige  1, 2, 3 ... 8, 9, 10, 11, 12  Volgende Plaats reactie


Greet---Gribou. 1



Stamgast
Stamgast
Lid sinds: 4-11-2011
Antw.: 887
Ma Nov 01, 2021 12:58 pm Reageer met quote

Het heeft even geduurd maar ik heb nu al je sprookjes die hier staan met veel plezier gelezen .
groet Greet


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Advertentie











Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Ma Nov 01, 2021 1:07 pm Reageer met quote

Dank je Greet!
Ze zijn nog niet op, dus hou het maar in de gaten. 🧚‍♂️🧚‍♀️🧜‍♀️🧞‍♀️🧞‍♂️



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


hehety



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-5-2009
Antw.: 14486
Ma Nov 01, 2021 3:23 pm Reageer met quote

Up op


Hoe minder dingen je bezit.
Hoe minder dingen jou bezitten.

auteur onbekend
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


hehety



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-5-2009
Antw.: 14486
Ma Nov 01, 2021 8:30 pm Reageer met quote

Cool


Hoe minder dingen je bezit.
Hoe minder dingen jou bezitten.

auteur onbekend
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


hehety



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-5-2009
Antw.: 14486
Ma Nov 01, 2021 9:16 pm Reageer met quote

Mad


Hoe minder dingen je bezit.
Hoe minder dingen jou bezitten.

auteur onbekend
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


hehety



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-5-2009
Antw.: 14486
Di Nov 02, 2021 12:25 am Reageer met quote

Surprised


Hoe minder dingen je bezit.
Hoe minder dingen jou bezitten.

auteur onbekend
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Di Nov 02, 2021 9:52 pm Reageer met quote






DE GROTE BOZE TOVENAAR door  Anky

Er was eens een grote boze tovenaar. Hij woonde boven op een berg en omringde zich met vleermuizen en slangen. Dat waren zijn lievelingsdieren. Met zijn boze oog keek hij naar de mensen in het land. Het was een welvarend land, niemand was echt arm. Het leek wel of de huizen steeds groter werden en de auto’s steeds duurder. De tovenaar verveelde zich. Het betoveren van prinsen in kikkers en prinsessen in libellen werd op de duur saai. Het was nog wel amusant als zo’n kikker hapte naar een betoverde libel. Op het laatste moment werd de libel omgetoverd en dan hing er een kikker aan de arm van een gillende prinses.
Maar ook daar had de tovenaar genoeg van. Hij herinnerde zich de plagen van Egypte, toen was hij nog maar een klein tovenaartje. Hij wist nog hoe de mensen in paniek elkaar vertrapten bij een zwerm  van duizenden sprinkhanen die op het land neerstreken.
Misschien moest hij eens iets paniekerigs creëren. Hij riep zijn vleermuizen bij elkaar en legde hen zijn plan voor. Iedereen weet dat vleermuizen enge ziektes kunnen verspreiden. Toen het avond werd vlogen honderden vleermuizen naar alle windstreken. De slangen sisten verontwaardigd dat zij niet mee mochten doen. Maar de tovenaar zei dat hun beurt nog wel kwam. Hij bleef op zijn berg wachten op resultaten.
Na een paar dagen kwamen de vleermuizen terug, de oppervleermuis bracht  verslag uit. Na een week hoorde de tovenaar tot zijn genoegen vele ambulances door het land razen. Er werden heel veel zieke mensen in ziekenhuizen opgenomen. Maar paniek en elkaar vertrappen was er niet bij. Integendeel, de mensen hielpen elkaar.
Nu had het land een koning die niet erg aardig was. Regeren liet hij aan zijn ministerraad over. Als hij maar kon doen wat hij wilde! Maar al die zieke mensen vond hij helemaal niets. Hij verschanste zich in zijn ivoren toren en liet alleen zijn lijfwacht toe. Dat waren stoere kerels met gemillimeterd haar en grote helmen op. De koning riep de opperbevelhebber bij zich. Die moest eerst onder een ontsmettende douche. De koning beval hem naar de dorpen te gaan en alle zieke mensen te ruimen. Dan zou het land weer snel normaal worden.

Boven op de berg woonde in het grote woud een elvenvolk. Nu zijn elfjes over het algemeen dwarrels. Ze vliegen wat rond en maken plezier, veel meer doen ze niet. Ze hebben meestal maar anderhalve hersencel. Maar er was een heel bijzonder elfje, die was ontzettend slim en vloog overal rond om meer kennis te vergaren. Ze had al gauw door wat voor sinister plan de grote tovenaar had. Ze vloog het land in, door een klein gaatje de ivoren toren van de koning in. Ze was zo klein dat niemand haar zag. Ze hoorde de bevelen van de koning en vloog vliegensvlug naar het grote woud. Daar woonde de bosheks, die had van lieverlee heel goed leren toveren. Ze hielp mensen en dieren altijd als het mogelijk was.

Toen de lijfwachten van de koning op hun motoren, met knuppels in hun handen het eerste dorp binnenkwamen om de zieke mensen te ruimen, vonden ze niemand. Het hele dorp was verlaten, zo ook het volgende dorp.
Overal waar ze kwamen waren de huizen verlaten. Ze gingen terug naar de koning en vertelden dat alle mensen weg waren. Ze snapten er niets van. Ze konden niet weten dat de bosheks alle mensen onzichtbaar had gemaakt voor de lijfwachten. Iedereen was heel stil totdat de mannen uit het dorp verdwenen waren, zelfs kinderen hoorde je niet. Zo ging het met alle plaatsen.
De koning kon niet geloven dat echt iedereen weg was.  Een paar dagen later riep hij opnieuw de opperbevelhebber bij zich en  gaf de opdracht net zolang te zoeken totdat hij de mensen gevonden had. Het elfje zat gelukkig op haar post en ze vloog pijlsnel naar de bosheks. Zo’n  betovering had namelijk maar een beperkte duur. Gelukkig had de bosheks een nieuwe supersonische bezem aangeschaft, met een  speciaal zitje met een gordel. Ze drukte haar mutsje stevig op haar rode haren en gespte zich vast. “Goed vast houden,” zei ze tegen het elfje en vloog met de snelheid van het licht naar het dichts bijzijnde dorp. De eerste betovering ging fout. Ineens lagen er overal zieke kippen in plaats van mensen. Ze hoorden het geronk van de motoren al. Gelukkig ging de tweede poging goed. De bosheks vloog naar een hoge boom om het resultaat af te wachten.
Het ging hetzelfde als de eerste keer. Nergens vonden de lijfwachten zieke mensen. Na 5 dorpen had de leider er genoeg van. Hij stopte op het parkeerterrein van een benzinestation en sprak zijn mannen toe.
“Wij zijn niet opgeleid om oude zieke mensen op te ruimen. Ik stel voor om onze biezen te pakken.”
De minst snuggere van de bende zei verbaasd rondkijkend. “Biezen, welke biezen?”
De aanvoerder ging verder. “We nemen de kuierlatten, trekken aan onze stutten. Met andere woorden, we gaan er vandoor. Laat de koning het zelf maar uitzoeken. Zorg dat jullie tank vol zit. Ik heb gehoord dat in Verweggistan een aantal draken is neergestreken. Die gaan wij wel even verslaan! Maar het is een heel eind rijden.”
Ze gingen allemaal tanken en bij de Mac een big mac, een zak patat en een liter cola naar binnen werken. Daarna ging de groep met luid motorgeronk op weg het land uit.

De grote tovenaar zat op zijn berg en bekeek het land beneden hem. Hij was niet tevreden, geen chaos. Hij riep zijn vleermuizen en slangen bij elkaar en vertelde dat ze een poosje ergens anders heen gingen. In Verweggistan waren grote draken, dat was een betere uitdaging.

Zo keerde de rust weer terug in het land. Het duurde nog maanden voor alle mensen beter waren en de ziekte verdween. Maar iedereen hielp elkaar. De koning bleef in zijn ivoren toren zitten. De regering besloot dat hij daar beter de rest van zijn leven kon blijven zitten. Een koning die zieke mensen wil ruimen net als kippen bij de vogelgriep, die wilde het volk niet hebben. Ze zetten een nieuw slot op de deur, tralies voor de ramen en schoven iedere dag eten naar binnen. Zonder koning ging het uitstekend. Het volk koos een president en ze vierden een week feest.

De bosheks ging terug naar haar huisje in het bos en kreeg regelmatig het slimme elfje op bezoek. De rest van het elvenvolk dwarrelde gewoon  vrolijk verder.

 

 



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Za Nov 13, 2021 5:31 pm Reageer met quote






DE DRIELING EN DE DRAKEN door Anky

 

In een heel erg ver land, daarom heette het ook Verweggistan, woonde een drieling, drie meisjes. Ze woonden daar omdat ze er toevallig geboren waren. Het was niet echt een gezellig land om op vakantie te gaan. Dorre vlaktes, kale rotsen, sombere bergen en er gebeurde nooit iets. Eigenlijk was het een heel saai land.
De drieling woonde in een saai dorp, gingen naar een saaie school, hadden saaie ouders en saaie namen, vonden ze zelf. Toke, Joke en Doke Moken heetten ze. Maar ze hielden alle drie van muziek, daarom hadden ze met elkaar een meidenband opgericht. Ze noemden zich de OkeGirls. Toke kon geweldig gitaar spelen, Joke schreef prachtige liedjes en Doke had een dijk van een stem. Ze zong zo mooi dat iedereen bleef luisteren als ze aan het zingen was. Ze traden regelmatig op bij schoolfeestjes en in het dorpshuis. Doke kon ook heel hard en heel hoog zingen, soms liet ze voor de grap zo’n hoge C horen dat de glazen kapot sprongen en er barsten in de ruiten kwamen. De koeien en de schapen sloegen op hol en de vogels vlogen kilometers omhoog.  
Daarom mochten ze van hun ouders niet meer thuis oefenen. Hun vader had met de buurman een boomhut in het nabijgelegen bos gemaakt, dichtbij een grote open plek waar ze hun optredens konden oefenen.
Op een dag waren ze met een nieuw liedje bezig toen Toke naar de lucht wees waar een aantal stippen te zien waren.
“Kijk vogels, “ zei ze. “Nee vliegtuigen,” zei Joke toen de stippen groter werden.
“ Geen vogels, geen vliegtuigen,” riep Doke, “Draken!” “Draken bestaan niet,” lachten de anderen. Maar Doke vluchtte de boomhut in.
“ Die niet bestaande draken komen hierheen!”  Snel verstopten ze zich in de boomhut en trokken de touwladder omhoog. Op de open plek landden een aantal draken met blauwzwarte  vleugels, grote bekken waar rook uit kwam en scherpe klauwen. Ze gingen in een kring zitten en keken omhoog. Even later kwam er nog een draak aan vliegen. Hij landde midden in de kring met een dode koe in zijn klauwen. Alle draken richten hun bekken op de  dode koe en met vurige vlammen werd het dier geroosterd. Een soort drakenbarbeque. Daarna scheurden ze allemaal een stuk vlees ervan af. De drieling keek met grote ogen toe, ze durfden zich niet te verroeren. Ze zagen hoe de draken hun koppen tussen hun vleugels staken toen ze klaar waren met eten. Even later klonk er een luid gesnurk, alle draken vielen in slaap.
Heel voorzichtig liet de drieling zich uit de boomhut zakken om met een grote omweg naar huis te gaan. Daar vonden ze hun boerderij in rep en roer. Iedereen had gezien hoe de draak de koe uit te wei plukte. Ze wilden de koeien op stal zetten maar waren bang dat de draken dan de kinderen zouden pakken. De dagen daarop zagen ze de draken regelmatig over het dorp vliegen. Iedere dag verdween er een koe of een paar schapen. Af en toe landde er een draak op het dorpsplein, was er toevallig een scharrelende kip in de buurt werd die meteen geroosterd.
Er kwam een spoedoverleg in het dorpshuis. Er werd besloten dat de scholen dicht zouden gaan, de kinderen kregen onlinelessen. Niemand mocht zomaar over straat zonder heel goed in de lucht te kijken. Een heleboel mensen durfden ook niet meer naar buiten. De winkels zorgden ervoor dat de mensen hun boodschappen thuis kregen. De bestelwagens werden tegen het magazijn aan gezet zodat ze makkelijk konden inladen. De boeren waren bezorgd want hun veestapels dunden in snel tempo uit. Er moest iets gebeuren, iedereen was bang.
De vrouw van de bakker had een idee. Ze zei dat misschien het ene drielingmeisje dat zo goed kon zingen de hele hoge tonen kon gebruiken om de draken te verjagen. Dat was best een goed plan vond de burgemeester. Tenslotte vluchtten alle dieren weg als ze die hoge C hoorden. Doke werd gevraagd het te proberen. Iedereen deed oordoppen in. De drieling klom in de boomhut toen de draken lagen te slapen. Doke ging bovenop de hut staan en haalde diep adem. Toen liet ze zo’n harde triller horen dat overal in de buurt de dieren het op een lopen zetten. De draken schrokken wakker en liepen in paniek door elkaar.
Doke liet een nieuwe triller horen. De draken schoten de lucht in met wilde vleugelslagen. Ze vlogen richting het hoge gebergte, dat was zo ruig dat er niemand woonde. Doke bleef hoge gillen laten horen totdat er geen stipje van de draken meer te zien was. Daarna ging de drieling naar de open plek, die was helemaal omgewoeld. Middenin lag een groot ei dat gebarsten was. Terwijl ze toekeken kwam er een heel klein babydraakje uit het ei gekropen. Op wankele pootjes kwam hij naar hen toe, kwispelend met een kort staartje. Het was net een puppy. “Wat schattig,” riep Toke vertederd, “we houden hem.” Joke viel haar bij. “We zetten hem in de boomhut.” Doke zei, “ Ik denk dat we hem wel hondenvoer kunnen geven.” Ze namen het draakje mee naar de boomhut, maakten een zacht bedje van kussens voor hem waar hij meteen in slaap viel. Ze besloten tegen niemand iets over het draakje te vertellen.
De mensen waren blij dat de grote draken verdwenen waren. Na een week begon het gewone leven weer. De drieling ging weer naar school en later naar de boomhut waar het draakje smulde van het hondenvoer en de melk die ze stiekem meegenomen hadden.
Op een dag, drie weken na het vertrek van de draken kwam er een groep motorrijders het dorp binnen daveren. Gespierde kerels met tattoos en helmen. Ze vroegen naar de draken en toen hen verteld werd dat die naar het ruige gebergte waren vertrokken, gingen ze ook die richting uit. Eerst tankten ze hun motoren vol, aten grote zakken patat en dronken liters cola. Toen ze vertrokken keek het hele dorp hen na en hoopten dat ze de draken konden verslaan. Hoog boven hun hoofden ging een hele zwerm vleermuizen ook de kant van het ruige gebergte op. En heel raar, er leek wel iemand in een zwart-rode mantel bij te zijn. Mensen kunnen toch niet vliegen? Wisten zij veel dat er ook een grote tovenaar onderweg was naar de draken.

De drieling zorgde goed voor hun draakje, hij bleef klein gelukkig. Ze dachten dat het misschien een lilliputter draakje was, dat kwam tenslotte ook bij mensen voor. Joke had een nieuw lied gemaakt en dat oefenden ze met het draakje als mascotte. Ze noemden hem Noki.  Toke kwam met het idee een optreden te geven in het dorpshuis met Noki als speciale act. Dan mocht hij een klein vlammetje laten zien, bv een sterretje aansteken. Het hele dorp zou komen kijken en luisteren. Dan zouden ze zien hoe lief hun draakje was en mochten ze hem misschien houden.

Zo gebeurde het en het was een groot succes. Ze gingen overal met hun draakje optreden en Noki werd de lieveling van iedereen. Er kwam een televisieoptreden en er werd zelfs een film gemaakt. Zo gebeurde er eindelijk iets leuks in Verweggistan!

De grote draken werden nooit meer gezien, maar ook de motorrijders bleven spoorloos. Niemand zag ze ooit meer, maar er ging ook niemand het land uit. Dus heel misschien zijn ze allemaal ergens  anders terecht gekomen.



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Briesje.1



Superlid
Superlid
Lid sinds: 14-11-2021
Antw.: 1940
Ma Nov 15, 2021 6:25 pm Reageer met quote

Zie ik zomaar twee nieuwe sprookjes!

Daar ga ik eens even van genieten. 😉🤩





Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Briesje.1



Superlid
Superlid
Lid sinds: 14-11-2021
Antw.: 1940
Di Nov 16, 2021 6:41 pm Reageer met quote




Echt leuk om te lezen Anky. 👍😉


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Zo Nov 21, 2021 1:32 pm Reageer met quote

Dank je wel Briesje!
Komende week komt er weer een nieuwe, dus hou Sprookjeswereld in de gaten.
Daar gebeurt van alles! Laughing 🧞‍♂️🧞‍♀️🧜‍♀️🧚‍♀️🧚‍♂️



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


hehety



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-5-2009
Antw.: 14486
Vr Nov 26, 2021 12:28 pm Reageer met quote

Pff Gevonden. Up Laughing


Hoe minder dingen je bezit.
Hoe minder dingen jou bezitten.

auteur onbekend
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Za Dec 04, 2021 1:11 am Reageer met quote






    DE BANKETBAKKER EN DE WITTE KAT door Anky

    Er was eens een banketbakker die echt hele lekkere taarten maakte. Als je een stukje chocoladetaart at wilde je nog een stuk en nog een stuk, net zolang tot de hele taart op was. Hij had twee dochters die graag wilden helpen als ze uit school kwamen. Dan mochten ze vruchtjes op het gebak doen of een taartdoos vouwen. Ooit was er ook een bakkersvrouw, maar die was verdwenen toen de kinderen nog heel klein waren. De bakker praatte er nooit over en de meisjes wisten niet beter dan dat ze geen moeder hadden. Maar in het dorp ging het gerucht dat er in die zelfde tijd een boze tovenaar zich ophield in de omgeving.
    Op een dag toen de meisjes uit school kwamen zagen ze een magere witte kat in de tuin achter de bakkerij. Ze zat op het randje van het raam en keek de bakkerij in. Ze miauwde heel zielig en de jongste liep er meteen naar toe. “Ach, heb jij zo’n honger? Ik ga wat eten voor je halen.” Terwijl haar zus de kat aaide pakte ze in de keuken een bakje en deed daar een paar stukjes vis in. Ze zette het voor de hongerige kat neer, maar die snoof even en deed een sprongetje achteruit. De meisjes waren heel verbaasd, een kat die geen vis lustte? De oudste rende naar binnen, naar haar vader in de bakkerij.
    “Papa papa kijk eens door het raam! Een kat die honger heeft maar geen vis wil eten! Wat moet ik haar geven? “ De bakker keek door het raam en zag dat de kat ongewone blauwe ogen had. Hij was net kaassoesjes aan het maken. Hij pakte een paar stukjes kaas en gaf dat aan zijn dochter. Daarbij moest hij denken aan zijn vrouw die blauwe ogen had, geen vis lustte maar dol op kaas was. De kat verslond de kaas meteen, de meisjes waren verrukt. Ze haalden ook nog een schoteltje melk dat opgeslobberd werd.
    “Wil je nog meer? “ vroeg de jongste. De kat knikte en hield haar kopje scheef.
    “Wacht eens!” riep de oudste opgewonden, “ ze kan ons verstaan! Echt! We moeten nog wat vragen. Eh… waar kom je vandaan?”
    De jongste schudde haar hoofd en zei bedachtzaam dat ze alleen vragen moesten stellen waar de kat ja of nee op kon knikken. Dat deden ze en de kat knikte iedere keer keurig ja of schudde nee. Maar daarmee wisten nog niet waar ze vandaan kwam en waarom ze bij hen gekomen was. De kat mocht blijven maar niet in de bakkerij of de winkel komen. Hun vader legde uit dat hij dan problemen met de warenwet kreeg. En zo was de witte kat heel dikwijls te vinden in de tuin waar ze op het raamkozijn zat en de bakkerij in keek.
    Niet ver bij de bakkerij vandaan stond het paleis van de koning. De koning was een aardige man die dol op chocola was. Hij hoorde van de chocoladetaarten van de banketbakker en stuurde zijn hofmeester erop af. De hofmeester kwam de winkel in en duwde iedereen opzij die voor hem stond. De mensen mopperden dat hij op zijn beurt moest wachten maar de hofmeester zei hooghartig dat hij de hofmeester van de koning was en de koning wilde chocoladetaart! Dus moest hij nú een taart hebben en snel! En stuur de rekening maar naar het paleis! Het winkelmeisje was een beetje beduusd, maar ja een taart voor de koning dat was toch wel een hele eer. De koning vond de chocoladetaart zo lekker dat hij hem in twee dagen op had. Hij stuurde weer zijn hofmeester naar de winkel om de bakker te vragen in het paleis te komen bakken. De hofmeester vroeg natuurlijk niets, hij eiste dat de bakker naar het paleis kwam.
    De bakker schudde zijn hoofd, dat ging hij niet doen. Hij bleef in zijn bakkerij, hij had ook nog twee dochters om voor te zorgen. Nou die mocht hij wel meenemen als ze niet lastig waren. Maar nee, de banketbakker peinsde er niet over. De hofmeester ging woedend terug naar de koning. Maar de koning die echt veel aardiger was dan zijn hofmeester besloot zelf een kijkje te nemen.
    Hij leende stiekem van zijn stalknecht waar hij mee opgegroeid was, een spijkerbroek en een trui, gooide zijn kroon en hermelijnen mantel in een hoek en sloop via de stallen door het achterste hek van de paleistuin. In de winkel wachtte hij keurig op zijn beurt en vroeg beleefd of hij de bakker mocht spreken. De bakker was druk bezig in zijn bakkerij, de koning keek vol bewondering toe. Zijn handen jeukten om te helpen en ook een deeg te kneden. Hij keek door het raam naar buiten en zag een witte kat met blauwe ogen die naar de bakker keek. Er waren twee meisjes bij, het leek wel of ze met kat een gesprek voerden. Opeens kwamen ze allebei opgewonden naar binnen stuiven.
    “We weten nu dat Mima betoverd is! Een boze tovenaar heeft haar in een kat veranderd omdat ze hem voor de voeten liep. Hij heeft haar meegenomen naar een heel ver land. Maar ze kon eindelijk ontsnappen en toen moest ze heel lang lopen om hier te komen! Daarom was ze zo mager.”
    De koning luisterde mee en vroeg toen wie de kat dan vroeger was. De meisjes keken naar die aardige meneer. Die mocht het wel weten. “ Mama natuurlijk! Daarom noemen we haar ook Mima, want toen ik nog maar net kon praten zei ik in plaats van mama, mima. Maar we weten niet hoe ze terug getoverd kan worden,” zei de jongste treurig.
    De koning dacht na, nu kon hij zelf eens wat doen. Hij wilde absoluut niet dat de hofmeester het te weten kwam. Eigenlijk was de hofmeester een nare man, maar hij was al hofmeester toen de vader van de koning nog koning was. Hij kon hem helaas niet ontslaan, hij mocht hofmeester blijven tot zijn dood. Zo stond het in de wet. De koning ging naar zijn stalknecht en vroeg hem naar de bosheks te gaan. Die wist misschien hoe de kat terug getoverd kon worden. Maar de bosheks schudde droevig haar hoofd, de tovenaar was machtiger dan zij. Maar ze zei dat er een toverkruid was dat de kat moest eten, dan zou het wel lukken. Ze googelde op haar laptop waar het toverkruid te vinden was. Dat was niet zo ver weg, maar het had alleen op 25 december toverkracht. En het moest geplukt worden door een onschuldig kind. Gelukkig was het bijna Kerstmis.
    De koning ging mee het bos door op eerste kerstdag. Hij had de hofmeester vrij gegeven zodat die hem niet kon bespioneren. Het werd een hele optocht, de bosheks ging voorop, daarachter de banketbakker met zijn dochters en de kat trippelde mee. Achteraan de koning met zijn stalknecht. De bosheks riep opgewonden dat ze het toverkruid gevonden had. De jongste dochter plukte het en stak het de kat toe. De witte kat snuffelde eraan, stak haar tongetje uit, behhh…vies! Maar ze begon dapper te knabbelen. Ze at het helemaal op en ineens een flits en de kat was verdwenen! In plaats daarvan lag een jonge vrouw op het mos die verdwaasd rond keek.
    “Mama!!! “ gilden de meisjes en ze stortten zich op haar. De banketbakker sloeg zijn armen om hen heen. De koning pinkte een traantje weg toen het gezin herenigd werd.
    Ze vierden met zijn allen kerstmis in de bakkerij, daar was het lekker warm. Buiten gierde de wind en de eerste sneeuwvlokken vielen naar beneden. De bakker bakte de heerlijkste dingen, de koning hielp hem daarbij, die ze gezamenlijk opaten. De koning had nog nooit zo’n fijne kerst meegemaakt. Hij sprak met de bakker af dat hij af en toe zou komen helpen in de bakkerij.

    Ze bleven hun hele leven vrienden, de bakker, zijn vrouw, de dochters, de koning en de stalknecht.
    De hofmeester kreeg een maagzweer omdat de koning hem iedere keer ontglipte en besloot toch maar met pensioen te gaan zodat hij eindelijk rust kreeg.
    En zo was iedereen gelukkig.



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Za Dec 18, 2021 5:01 pm Reageer met quote






DE TROLLEN door Anky

In een diep donker woud leefde een trollenvolk. Iedereen weet dat trollen nare wezens zijn. Ze maken je sleutels zoek, pesten je huisdieren, stelen kinderen en verwisselen baby's. Dit trollenvolk was al lang niet meer in een land met mensen geweest. De grootste en gemeenste trol had zichzelf tot oppertrol uitgeroepen. Hij wilde eigenlijk koning zijn met een troon en een kroon, maar de andere trollen vonden dat niks. Hij bedacht dat als ze weer eens een land op stelten konden zetten met hem als aanvoerder, hij wel kon eisen dat hij een kroon en troon kreeg. Misschien ook wel een scepter erbij!
Hij riep alle trollen bij elkaar en zei dat hij een land gevonden had wat hem ideaal leek. Sommige trollen waren er al eens eerder geweest. Het land was klein, maar er woonden heel veel mensen. Geen bergen, weinig bossen maar wel veel water. Ze moesten goed opletten dat ze niet gezien werden. Maar trollen konden zich heel goed onzichtbaar maken. Ze kropen ergens onder, dan leek het of er een grote steen lag of een gevallen boom.

Toen de avond viel gingen ze op pad. Trollen hebben heel weinig slaap nodig en ze kunnen hard lopen. Ze deden er drie dagen en nachten over om bij het land te komen.
Nu was er onder de trollen een trol die echt een buitenbeentje was. Hij vond het helemaal niet leuk mensen of dieren te pesten. Eigenlijk probeerde hij goed te maken wat de andere trollen uithaalden. Hij was één keer eerder mee geweest met zo’n expeditie. Dat vergat hij nooit. In een huis was hij per ongeluk gezien door een klein meisje dat in bed lag. Ze begon te schreeuwen dat er een monster in de kamer was. De toegesnelde ouders susten het kind, keken in de kast en onder bed maar vonden geen monster. De trol keek later toevallig in de spiegel en schrok van zichzelf. Wat was hij lelijk! Hij begreep waarom het kind zo schreeuwde. In een ander huis hoorde hij een kind heel verdrietig huilen. Daar had hij even te voren een andere trol grinnikend het huis zien verlaten. Voorzichtig keek hij om het hoekje van de slaapkamer. Er brandde een nachtlampje en hij zag een jongetje die zoekend met zijn handjes door het ledikantje ging.
“Kjaf, Kjaf,” huilde hij. De trol dook onder het bedje en vond in een hoekje verstopt een knuffelgiraf. Hij legde hem voorzichtig in de grijpende handjes. Het jongetje keek hem stralend aan en riep: “Kjaf!” Innig tevreden drukte hij de knuffel tegen zich aan. Heel voorzichtig aaide de trol het jongetje over zijn wangetje met zijn eeltige vinger. Die lachte hem nog een keer toe, zei slaperig:” Kjaf,” deed zijn ogen dicht en viel in slaap.
Sinds die tijd noemde de trol zichzelf Kjaf. De andere trollen vonden de naam raar, maar zo zijn trollen. Nooit positief. Maar iedereen wende eraan en nu ze weer in een land met mensen waren, dacht Kjaf aan die keer terug dat hij zijn naam gekregen had. Het jongetje zou inmiddels wel een man geworden zijn.

In de vroege avond keken de trollen vanuit de rand van een park naar een plein waar een grote boom stond met lichtjes erin en naar de mensen die op straat liepen. Tot hun verbazing hadden ze allemaal een lapje voor hun gezicht. Zou dat de nieuwste mode zijn? De oppertrol begon te lachen. Dat maakte het wel makkelijker voor hen. Ze konden best voor mensen doorgaan, alleen hun lelijke trollenkop zou hen verraden.
Hij gaf opdracht aan een aantal trollen die lapjes te bemachtigen en kleding. Omzichtig zochten ze zich een weg naar een winkel. Kjaf was een van hen. Hij was verheugd. Als hij zo’n doekje voor zijn gezicht had zouden kinderen niet meer van hem schrikken. De etalage van de winkel lag vol met lapjes in allerlei kleuren. De winkel was gesloten, maar dat was geen bezwaar. Een kleine trol werd door een steekraampje geduwd en even later regende het lapjes en kleren.
De trollen hadden er lol in, zo zou niemand wat vreemds aan hen zien. Ze hadden allemaal een lapje voor hun gezicht gedaan. Er werd afgesproken dat ze de andere dag weer bij het park zouden verzamelen.
Kjaf voelde zich vreemd. Hij ging de andere trollen achterna die meteen begonnen met dingen weg te halen en te vernielen. Zo gauw er een trol weg was legde hij de dingen weer op zijn plaats. Maar er was geen beginnen aan. Met 100 trollen die alle kanten opgingen was het ondoenlijk alles te herstellen.
Hij ging een huis binnen en kwam in een kamer waar ook al een boom met lichtjes stond . Er lag een opengeslagen boek op tafel. Op de bank lag een oude versleten knuffel. Hij kon zijn ogen niet geloven, het was de girafknuffel die hij zoveel jaar geleden aan het jongetje had terug gegeven. Hij pakte hem op.
”Kjaf!” Ineens hoorde hij een stem. “Je bent teruggekomen.”
Er stond een man bij de bank. “Jij was het lieve monster dat mijn knuffel had gevonden! Ik ben het nooit vergeten. Niemand die me geloofde maar ik was amper 3 jaar. Kom zitten en vertel me wat je gedaan hebt in die tijd.”
Kjaf ging samen met de man op de bank zitten, die vertelde dat hij Bram heette, een vrouw en 2 kinderen had. Het was bijna kerstmis, maar er werd weinig gefeest. Er waarde een virus door het land, daarom hadden alle mensen mondlapjes om. Alle scholen en winkels waren gesloten, het hele land zat op slot. Iedereen moest met kerstmis thuis blijven. Bram vroeg of hij de andere dag terug wilde komen, dan kon hij kennismaken met zijn vrouw en kinderen. Kjaf twijfelde, hij dacht ze teveel zouden schrikken als ze hem zagen. Maar hij kon zo’n lapje voor zijn gezicht doen.

In het park waar alle trollen bij elkaar kwamen heerste ontevredenheid. Alle mensen waren thuis, dus was het lastiger om dingen weg te halen. Bij kinderen kwam je helemaal niet in de buurt. Die zaten bij de kerstboom te spelen. Autosleutels zoekmaken had ook geen zin, niemand ging weg met de auto.
Een trol vertelde dat hij net een baby uit een wagen wilde halen, toen kwamen er meerdere mannen en een grote hond aanhollen. Bleek dat diverse mensen een trollenalarm op hun smartphone hadden. Die was gaan piepen, hij kon maar net ontkomen. Dit land was niet leuk. Konden ze niet beter naar een ander land gaan? Maar iemand wist te vertellen dat alle landen met dat virus te maken hadden. Heel veel mensen waren besmet, ziekenhuizen lagen vol. Misschien konden zij dat virus ook wel krijgen ook al waren ze trollen?
De oppertrol wist het ook niet, maar misschien konden ze beter weer naar hun eigen land gaan. Dan zouden ze het over een jaar of tien nog eens kunnen proberen. Ze bleven nog één dag, dan gingen ze terug. De meeste trollen besloten bij nog wat winkels in te breken. Vooral die lapjes vonden ze geinig. De oppertrol ging naar een feestartikelenwinkel. Daar vond hij een kroon en een scepter. Die troon kon hij thuis wel maken.

Zo gebeurde het dat de trollen een dag later op weg gingen naar hun eigen land en hun eigen woud. Ze namen de buit mee. Maar niemand had in de gaten dat ze iemand misten.
Kjaf had besloten in het mensenland te blijven. Bram en zijn familie wilden hem dolgraag bij zich houden. Niemand was bang voor hem, de kinderen waren dol op hem. Hij deed spelletjes die ze leuk vonden. Ze vierden gezamenlijk kerstfeest en iedereen kreeg cadeautjes. Kjaf kreeg allemaal verschillende mondlapjes voor als hij naar buiten ging.
Hij had zich nog nooit zo gelukkig gevoeld. Hier was hij eindelijk thuis!



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


sibilla68



Superlid
Superlid
Lid sinds: 11-6-2011
Antw.: 6478
Di Dec 21, 2021 3:44 pm Reageer met quote

Wat een leuke sprookjes, Ankyy. Met een boodschap, ook nog.
Zo lees ik ze tenminste
Ik kom af en toe even buurten, als je het goed vindt.
groetjes van Sibilla68



Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Bekijk de homepage


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Di Dec 21, 2021 7:43 pm Reageer met quote

Ha Sibilla, dank je wel!
Ik ben blij dat je mijn sprookjes leuk vindt.
Kom buurten wanneer je wilt.
Graag zelfs!

Eind van de week komt er nog een kerstsprookje.



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


sibilla68



Superlid
Superlid
Lid sinds: 11-6-2011
Antw.: 6478
Wo Dec 22, 2021 2:50 pm Reageer met quote

Goeiemorgen Ankyy, doe ik zeker.
En ik kijk uit naar je kerstsprookje.



Kom gerust ook eens op de koffie bij IneMaartje. Ze is overleden,
maar ik/wij zet(ten) het topic voort onder haar naam. Op mijn avatar zie je
ons ook samen zitten, ze was mijn dierbare vriendin gedurende 25 jaar.


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Bekijk de homepage


Ankyy



Superlid
Superlid
Lid sinds: 6-8-2016
Antw.: 3561
Vr Dec 24, 2021 7:30 pm Reageer met quote






HET MEISJE MET DE DRIE WENSEN door Anky

Er was eens een meisje in een land waar een grote oorlog woedde. Ze woonde in een plaats die bijna alleen nog maar bestond uit ruďnes, zoveel keer was het gebombardeerd. Ouders waren hun kinderen kwijt en kinderen misten hun ouders. Het merendeel van de bevolking was gevlucht. Er waren nog maar weinig mensen over.
Het meisje had haar toevlucht gezocht in een schuilkelder, daar had ze het bewoonbaar gemaakt voor zover dat mogelijk was. Maar de winter kwam eraan en er was geen verwarming. Ze had zoveel mogelijk dekens en dekbedden verzameld. Ze wilde niet weg want hier lagen de herinneringen aan alle mensen waar ze van hield.
Iedere ochtend ging ze op pad om eten te zoeken, elke keer vond ze genoeg om in leven te blijven. Vooral blikjes nam ze altijd mee, soms zat er geen papier meer omheen. Dan was het een verrassing wat erin zat. Op een avond had ze een blik ananas opengemaakt en helemaal leeggegeten. Ze ging liggen in haar nestje om te gaan slapen toen er ineens een wezen naar beneden zweefde. Verrast keek ze ernaar en vroeg nieuwsgierig: “Ben jij een elfje of een engeltje?”
“Welnee zeg, “zei het wezen verontwaardigd. “Elfjes dwarrelen alleen maar, die hebben geen enkel nut. Engeltjes zijn er om bij mensen op de schouders te zitten om hen te behoeden voor ongelukken. Ik ben een Fee! Een Fee is iemand die wensen kan vervullen. Heb jij een wens? Vertel het maar.”
Het meisje dacht na. “Het wordt koud omdat het winter is geworden, ik zou wel een dikke donzen jas kunnen gebruiken.”
“Eitje, ”zei de Fee. “Nog meer? Je mag 3 wensen doen.”
“Mmm... misschien ook een paar warme winterlaarzen? “ En heel zacht zei ze erachteraan.
“Ik zou ook wel een klein broertje willen hebben.” Ze dacht aan het jaar ervoor toen het kerstmis was en haar kleine broertje de lichtjes in de kerstboom zo prachtig vond, hij greep er kraaiend naar. Maar dat was een jaar geleden, nu was het weer bijna kerstmis maar er was geen klein broertje meer en ook geen kerstboom met lichtjes.
De Fee zei peinzend; “Jas en laarzen geen probleem, een klein broertje wordt moeilijker, maar ik zal kijken wat ik voor je kan doen.”
En in een flits was ze weg. Het meisje viel in slaap en de andere morgen dacht ze dat ze het allemaal gedroomd had. Maar toen zag ze de dikke donzen jas en de warme winterlaarzen staan. Verheugd trok ze ze aan, het paste precies. Ze ging naar buiten en zag dat de eerste sneeuwvlokken begonnen te vallen. Op zoek naar eten kwam ze niemand tegen, het leek wel of iedereen weg was uit de stad. Ze vond nog een paar blikken zonder etiket en een paar pakken dubbelfris. Ze nam alles mee naar haar schuilplaats. In het blik wat ze openmaakte zat tomatensoep, mmm... dat vond ze lekker. Ze had op haar strooptochten een campinggasstelletje gevonden en ook nog een paar gasflesjes. Ze was ijverig bezig de soep in een pannetje te gieten toen er een schaduw viel in de deuropening en ze een stem hoorde.
“Mag ik binnenkomen, het is zo koud buiten.”
Bovenaan het trapje naar haar kelder stond een jonge vrouw, met een hele dikke buik.
Het meisje kwam haastig overeind en hielp de vrouw het trapje af. Ze zei dat ze net soep aan het warmen was. Wilde ze ook een kop? Gretig zei de jonge vrouw dat ze dat graag wilde.
Ze vertelde dat ze ergens anders in een schuurtje had gezeten toen er ineens een soort elfje voor haar neus stond die zei dat ze hier heen moest gaan. Ze was haar hele familie kwijt, maar omdat ze ieder ogenblik kon bevallen durfde ze de reis ergens anders heen niet aan.
“Nee nee,”zei het meisje. “Elfjes zijn nutteloze dwarrels, het was een Fee. Kijk deze jas en laarzen heeft ze voor mij getoverd.”
Ze warmde de soep op en later maakte ze een bed op voor de vrouw. Ze lagen heel genoeglijk te praten voor ze in slaap vielen.
Maar 'snachts kwam de baby, het ging gelukkig heel snel. Het meisje wist wat ze moest doen want toen haar broertje geboren werd had ze er met haar neus bovenop gestaan. Ze maakte water warm, scheurde een dekbedhoes aan stukken en deed wat ze kon om de jonge moeder te helpen.
Het was een jongetje en ze wikkelde hem warm in een grote dikke sjaal.
Ze wiegde de baby en het was net of haar broertje weer terug was. De Fee keek van een afstand goedkeurend toe. Ze had alledrie de wensen vervuld.

De andere dag kwam er een bus van het Rode Kruis, die waren ook al ingeseind door de Fee. Zij dachten dat het een kerstengel was.
“Nee nee.”zei het meisje, “engeltjes zitten alleen op schouders van mensen voor ze een ongeluk krijgen. Dit was een Fee!”
Ze namen de jonge moeder, de baby en het meisje mee naar het ziekenhuis in een onbelangrijk stadje waar niets van de oorlog te merken was.. Daar werden ze alledrie onderzocht en verzorgd.
Het was eerste kerstdag, het sneeuwde hard, maar het meisje was heel gelukkig met haar nieuwe familie.

Een jaar later vierden ze kerstmis met een boom met lichtjes en de kleine jongen greep er kraaiend naar. Ze had nu weer een klein broertje en een grote zus. Omdat alle persoonspapieren verloren waren geraakt werden ze ingeschreven als één gezin.
En ze vierden nog heel veel jaar kerstmis met zijn drieën.



Geniet van het leven!
Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


sibilla68



Superlid
Superlid
Lid sinds: 11-6-2011
Antw.: 6478
Wo Dec 29, 2021 7:07 pm Reageer met quote

Een heel mooi kerstverhaal Ankyy, dta kan zó op je blog
of in een boekje. Goed bewaren!



Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht Bekijk de homepage


Briesje.1



Superlid
Superlid
Lid sinds: 14-11-2021
Antw.: 1940
Wo Dec 29, 2021 9:32 pm Reageer met quote





Tjonge Anky, je hebt je best gedaan! 👍
Ik moet nog het een en ander lezen zie ik.
Maar dat komt wel goed, altijd leuk om jou sprookjes te lezen! 😍


Bekijk gebruikers profiel Stuur privé bericht


Pagina 9 van 12 Ga naar pagina Vorige  1, 2, 3 ... 8, 9, 10, 11, 12  Volgende

Plaats reactie